Hoe werkt de waterberging?


Hieronder wordt het principe van de waterberging uitgelegd.
De getallen in de kaart geven de normale waterpeilen in de verschillende delen van het gebied in meters t.o.v. NAP.


(© DLG Drenthe/projectbureau Herinrichting Peize. De getallen zijn er door WvB ingezet)


In het verleden waren de waterpeilen in de polders die nu bij de waterberging horen rond de -1,10 m NAP. In de nieuwe situatie heeft het hele gebied een (beduidend) hoger peil, waardoor delen van de voormalige polders onder water zijn komen te staan. Hoe groot dit natte deel van De Onlanden is, hangt af van het nieuwe peil in de deelgebieden en van het peil in de boezem (in dit geval: het Leekstermeer).
Er zijn drie deelgebieden te onderscheiden:
het gebied ten zuidwesten van het Leekstermeer (Sandebuur, de Bolmert, de Jarrens en de Middelvennen) staat in open verbinding met het Leekstermeer. Dit deelgebied is een zogenaamde meebewegende berging. Gaat het waterpeil in de boezem (het meer) omhoog, dan stijgt ook het waterpeil in dit gebied.

In het Matslootgebied wordt een waterpeil van 10 cm boven boezempeil gehandhaafd door drie stuwen die het water, dat uit het Peizerdiep naar het Leekstermeer stroomt, tegen houden. Dit water kan vanuit de slenken vrij het Matslootgebied in stromen, waardoor onder normale omstandigheden ongeveer een derde van het gebied onder water staat. Als door grote regenval het peil in het Leekstermeer met meer dan 10 cm stijgt, kan het water uit het Peizerdiep niet meer in het meer stromen en zal dus een groter deel van het Matslootgebied blank komen te staan. Op dat moment is dit deelgebied ook een meebewegende berging geworden. Het waterpeil in het gebied volgt het waterpeil in de boezem, tot dit weer onder de -0,83 m NAP zakt. In zeer extreme situaties (die 1 keer per 100 jaar voorkomen) staat het hele Matslootgebied onder water.

Voor het deelgebied in de Peizer- en Eeldermaden geldt eenzelfde verhaal, zij het dat het water uit de Gouw en het Eelderdiep onder normale omstandigheden al hoger opgestuwd wordt. Het waterpeil in het Leekstermeer zal dus veel meer moeten stijgen, voordat eerst de Gouw en dan het Eelderdiep mee gaat doen als meebewegende berging. Maar in de '1 keer per 100 jaar' situatie staan ook deze deelgebieden vrijwel helemaal blank en is de berging dus maximaal in gebruik. In het -50 cm NAP gebied valt nog op dat het prachtig meanderende Eelderdiepje weer aangesloten is op haar bovenloop en daarmee in ere hersteld is.
Delen van De Onlanden die 's winters onder water staan, drogen 's zomers langzaam op, doordat de watertoevoer dan geringer is en het water zich daarom meer zal beperken tot de beken en slenken zelf. Uiteraard hangt een-en-ander af van de weersomstandigheden.